Kinkhoest: Omvang en trends

Toename kinkhoestgevallen
Na invoering van de kinkhoestvaccinatie in 1953 is het aantal kinderen met kinkhoest sterk gedaald. In de periode 1996-2004 was het aantal kinkhoestgevallen echter weer flink hoger. Elke 2-3 jaar treedt een epidemische verheffing op (1999, 2001 en 2004). Het aantal nieuwe gevallen van kinkhoest is onder 3-4 jarigen duidelijk afgenomen, waarschijnlijk door invoering van het boostervaccin in 2001. Dit boostervaccin is een herhalingsvaccinatie met een acellulair kinkhoestvaccin op 4-jarige leeftijd. De meeste kinkhoestgevallen treden op bij 5-9 jarigen. Kinkhoest komt even vaak voor bij meisjes als bij jongens. Toename van het aantal kinkhoestgevallen medio jaren '90 kan deels worden verklaard doordat de kinkhoestbacterie van structuur is veranderd. Het vaccin is gemaakt op basis van bacteriestammen uit de jaren '50 en beschermt daardoor niet meer volledig. Of het aantal kinkhoestgevallen in de toekomst toe-, afneemt of gelijk zal blijven is niet goed in te schatten. Dit is afhankelijk van de vaccinatiegraad en wordt mogelijk beïnvloed door het gebruikte vaccin in de komende jaren.

Vooral jonge baby’s kwetsbaar
Per jaar belanden ongeveer 250-400 kinderen met kinkhoest in het ziekenhuis. Dit zijn vooral baby’s tot 3 maanden. Bij hen verloopt de ziekte ook het ernstigst. Het aantal ziekenhuisopnamen fluctueert vergelijkbaar met de incidentie (Abbink et al., 2004).

Vrijwel geen sterfte meer door kinkhoest
Voordat vaccinatie voor kinkhoest werd ingevoerd in 1953, stierven jaarlijks ongeveer 200 kinderen aan kinkhoest. Na het invoeren van de vaccinatie daalde dit aantal tussen 0-5 per jaar (Burgmeijer & Bolscher, 2002). Alleen in de periode 1996 t/m 1999 zijn in Nederland nog enkele baby's overleden (1-3 per jaar). Vanaf 2000 zijn er geen kinderen meer gestorven aan kinkhoest.

Bron: 
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 3.6